Stenen - kort verhaal door Hilda Knol
Stenen
Een steen rol ik heen en weer tussen mijn handpalmen, net zolang totdat hij mijn lichaamswarmte heeft aangenomen. Hij is gespikkeld en heeft de vorm van een duivenei. Ik heb hem in een knikkerzak in een schoenendoos bewaard, samen met steentjes uit Noorwegen, Malta en Turkije. De doos staat ver weggeschoven onder een logeerbed op zolder. Met zwarte inkt staat er iets op de steen geschreven, wat de tijd bijna heeft weggevaagd. Het geeft niet, de tekst staat ook in mijn geheugen gegrift. De woorden op de andere kant zijn nog wel leesbaar. In een kriebelige handschrift staat er: Mallorca, 8-8-’83. Bijna 25 jaar zijn verstreken sinds Ella en ik onze vakantie op het Spaanse eiland doorbrachten. De krakende zoldertrap daal ik voorzichtig achterstevoren af. Mijn oude lijf protesteert en mijn hart gaat tekeer, maar ik klem de steen in stevig in mijn vuist. Alsof ik zo een voorbijgegane liefde tot leven kan wekken. En alsof ik er kracht uit kan halen om de afspraak die Ella en ik op het eiland hebben gemaakt na te kunnen komen.
Midden in de nacht landt mijn vliegtuig op Mallorca. Ik zie de duizenden lichten van het vliegveld en de hoofdstad Palma. Het is goed zo, ik wil nog niet zien hoe het eiland na al die jaren veranderd is. Nadat ik mijn koffer van de lopende band heb gepakt, loop ik naar een café. Met kleine slokjes drink ik mijn café cortado, leun achterover en haal diep adem. De koffie smaakt in ieder geval nog precies zoals 25 jaar geleden.
Het is bijna licht als ik een taxi aanhoud.
‘Cala Figuera por favor.’
‘Vale,’ antwoordt de spichtige chauffeur en opent het portier van de Seat Ibiza.
Ik kijk nog even in de achteruitkijkspiegel en sluit daarna mijn ogen. Veel vrouwen met zwart haar heb ik op het vliegveld gezien, maar in geen enkele Ella herkend.
In de kamer van het hostel hangen nog dezelfde blauwgroene gordijnen als in 1983. Het uitzicht is nieuw. Het pittoreske haventje ligt nu verborgen achter een grijs betonnen hotel van vier verdiepingen hoog. Ik sluit de gordijnen en ga op het krakende bed liggen om wat slaap in te halen van de doorwaakte nacht. Aan het eind van de middag bestel ik in het restaurant van het hostel een bord paella. Op de bar ligt een Britse krant van een paar dagen geleden. Ik lees een kop op de voorpagina; Mondragó most beautiful beach of Europe. Even houd ik mijn adem in.
‘Daar is het,’ zeg ik hardop, en plant mijn wijsvinger op de foto. Haast heb ik niet. Vanavond laat hoef ik pas op het paradijselijke strandje te zijn. Even kom ik in de verleiding om de eigenaresse van het hostel te vragen of Ella hier ook heeft ingecheckt. Onzinnig, denk ik meteen, zij zou nu vast kiezen voor het hotel aan de overkant van de straat.
‘Ik heb wat voor je,’ zei Ella tegen mij. Ze raakte met haar vuist, mijn buik aan, als een bokser die een plaagstootje uitdeelde. Als vanzelf vormden mijn handen een kommetje, waarin de steen landde.
‘Wie het eerst in het water is,’ riep ze, terwijl ze wegrende in de richting van de zee. Ik holde achter haar aan, de steen nog in mijn hand. Samen doken we het water in en zwijgend zwommen we in de richting van de ondergaande zon. Ik had moeite om haar bij te houden. Op de terugweg, zei Ella, toen zij al wél, maar ik nog niet kon staan: ‘Kom maar kleintje.’ Ze tilde mij op en nam me in haar armen. ‘Wil je oud met me worden?’
Als antwoord kuste ik het zout van haar lippen.
‘Hoe oud eigenlijk?’ vroeg ik haar later, toen we samen op een terras zaten. Ella nam voorzichtig een slokje van mijn sangria, waarbij haar lippen samentrokken tot een smalle streep. Ze schoof het glas terug in mijn richting, maar antwoordde niet en bladerde in ons taalgidsje.
'Tiene bolígrafo?’ vroeg ze aan de ober. ‘Gracias.’
De steen, die ik op de tafel had gelegd, wreef Ella droog in haar handen en ze blies er een paar keer op. Ik keek aandachtig hoe ze daarbij haar volle lippen tuitte. Het bezorgde mij een siddering in mijn onderbuik. Even later schreef Ella er een datum op. Het puntje van haar tong stak uit haar mond. Ze gaf de steen terug aan mij.
‘Niet ouder?’ vroeg ik.
‘Jawel, maar we gaan dan eerst kijken of onze dromen zijn uitgekomen.’
Ik rekende uit dat we op 8-8-2008 net met pensioen waren.
‘Hier?’
‘Natuurlijk!’
‘En welke dromen?’ vroeg ik door.
Ze pakte mijn hand. Een paar jongens floten ons na, terwijl ze me meetrok de zee in. Op het witte strand, waar we die nacht sliepen en elkaar beminden totdat het weer licht werd, vonden we nóg een steen, net zo gespikkeld en ook zo groot als een duivenei. Ella stopte het in haar rugzak.
Een jongen stapelt rood-wit gestreepte strandstoelen op. De ober geeft mij wisselgeld. Tot middernacht heb ik op het terras gewacht, maar Ella is niet gekomen. Net als ik weg wil gaan, rent een jonge vrouw op blote voeten door het mulle witte zand mij tegemoet. Haar schoenen houdt ze vast in haar hand. Het is Ella. Onmiskenbaar. Ik herken haar meteen aan de helderblauwe ogen, het dikke zwarte haar en de kuiltjes in haar wangen. Ik moet mezelf vasthouden aan een palmboom, want ik ben bang dat ik flauw zal vallen.
‘Bent u Maria?,’ vraagt de jonge vrouw hijgend.
‘U hebt…,’ zegt ze, terwijl ze naar adem hapt, ‘die afspraak met mijn moeder?’
Ik knik alleen maar.
‘Ik vond haar dagboek. Ze boekte nog de reis, maar… Het spijt me.’
‘Mijn dromen zijn net zo talrijk als de zandkorrels bij Mondragó,’ zei Ella tegen mij.
We zaten op de grond in de overvolle vertrekhal voor de boot naar Barcelona, de koffer gebruikte ik als ruggesteun. Ella had haar hoofd in mijn schoot gelegd. Haar ogen, waarin ik de zee weerspiegeld zag, keken me aan en ze ratelde: ‘De hoofdprijs in de loterij, feesten, een camper, een tweede huis in Spanje, een visrestaurant in de duinen…’
‘Ik weet niet of ik voor zoveel geluk geboren ben,’ zei ik zacht, ‘ik heb maar één droom: dat wij samen blijven!’
Ella sloot haar ogen, zweeg een poos en vervolgde toen: ‘Oké, alleen wij… en een kind, een meisje.’
Een jaar na de vakantie vond ik een briefje op mijn kussen. Honderden malen las ik de zin die Ella daar had neergeschreven: ‘Ik wil een tijd alleen zijn’. Een week wachtte ik, een maand, een heel jaar. Pas daarna sprong ik niet meer meteen op van mijn stoel wanneer de postbode met de brievenbus klepperde. Haar familie wilde niet zeggen waar ze was, alleen dat ze een poos geen contact wilde. Mijn zoektochten in haar vriendenkring en in alle kroegen waar ze kwam, leverden ook niets op. Het wanhopig keer op keer in mijn hoofd afspelen van onze nachtelijke gesprekken evenmin. Over hoe Ella ‘ons kind’ wilde opvoeden en alle beren die ik op de weg zag. Wel of geen donor, hoe het aan onze ouders en in ons conservatieve dorp vertellen? En of we het kind wel konden beschermen tegen pesterijen? Het kopen van een visrestaurant in de duinen leek me uiteindelijk realistischer dan het krijgen en opvoeden van een dochter.
De steen die me herinnerde aan onze laatste vakantie stopte ik ver weg in een knikkerzak op zolder. Hij ketste tegen de steentjes uit andere vakantielanden aan, waar we samen geweest waren.
Van een vriend hoorde ik een paar jaar later op straat dat hij Ella in de grote stad had gezien.
‘Samen met een man. In de kinderwagen zag ik een schattig klein….’
Het vervolg hoorde ik niet meer, ik had me omgedraaid en was lukraak in een bus gesprongen. Het deerde me niet dat die naar een voor mij onbekende buitenwijk reed. Ik voelde dat mijn kin op mijn borst zakte en tranen over mijn wangen liepen.
Op de steen van Ella’s graf zie ik een wit kruis met in grijze letters gebeiteld 8-2-2008. Ik kniel en leg de steen, die vochtig is van het zweet uit mijn handpalmen, op het graf.
‘Mijn droom kwam niet uit,’ fluister ik.
Ella’s dochter, die naast me staat, heft haar arm, alsof ze die om mijn schouders wil slaan, maar laat hem toch naast haar lijf bungelen.
‘Mijn moeders droom ook niet,’ zegt ze schor.
‘Dat ben jij toch?’ antwoord ik, waarna ik mijn keel moet schrapen.
‘Jawel, maar haar geluk was niet compleet.’
Ze buigt zich voorover en legt ook een steen op haar moeders graf. Hij is gespikkeld en zo groot als een duivenei.
| < Woorden - kort verhaal door Marijke van Dijk | Tintels - kort verhaal door Kaat Roozal > |
|---|