De dag na Hemelvaart - kort verhaal door Kirsten Kamphuis
Ze moet de enige in de hele stad zijn die haar fiets niet op slot zet. En dat is dan ook meteen alles wat ik van haar weet – dat ze een roestig barrel uit het rek trok, en net toen ik dacht dat ze zonder een woord weg wilde fietsen, zachtjes vroeg of ik kon springen. Ik geloof dat ze bruin haar heeft, halflang, maar ik kan me vergissen. Tussen mij en de wereld zat gisteravond een dik scherm van rum en rook.
Het is lekker warm hier, onder haar dekens, in de holte van mijn eigen arm. De rolgordijnen zijn omhoog getrokken. Dat moet ze heel zachtjes gedaan hebben. Ik kan me er nog niet toe brengen om op te staan. Mijn huid, die nooit zo goed tegen sigarettenrook kan, smeekt om water en een dure douchecrème. Maar daarmee zou ik de sporen uitwissen: het restje lippenstift dat ik nog kan proeven, een verdwaalde wimper op mijn wang, en vooral haar geur. Die is overal.
Gisteravond begint heel langzaam weer vorm aan te nemen, maar telkens als er bijna een beeld voor mijn ogen verschijnt, verdampt het weer. Ik leg mijn hand op mijn onderbuik en kijk naar mijn tenen, die wiebelen onder het groene laken. Het raam laat niets anders zien dan voorzichtig blauwe lucht. Dit is wel mijn stad, toch? Als we met de trein waren gegaan, zou ik het me wel herinneren, of niet soms? Ik rol over haar silhouet heen, dat nog met dunne streepjes in het laken staat geschetst, en ga voor het raam staan. Mijn lichaam voelt zich thuis hier.
De grijze toren in het midden van het plein licht aarzelend op onder de beginnende dag. Ik kan het park zien liggen.
Dan hoor ik haar stem weer. Dat ik fijn moet blijven liggen, dat ze zo terug zal zijn.
In haar boekenkast wonen schrijvers die ik niet ken. Ik pak een willekeurig boek van een plank, een met een dieprode kaft, en lees mezelf hardop drie regels voor. Mijn stem klinkt onwennig in deze ruimte, al weet ik dat ik vannacht ook gepraat heb. Ik fluisterde korte woordjes. Niet haar naam, want die ken ik niet. De haartjes op mijn arm gaan overeind staan bij dat besef. Met een gloeiend gezicht pak ik een badjas van een haakje. Ik snoer de ceintuur stevig vast. Mijn ogen gaan de kamer rond, op zoek naar foto’s, maar die zijn er niet. Achter de deur van haar kledingkast vind ik een heleboel groen en blauw, en een dun zijden sjaaltje waar een bekend parfum in hangt, maar geen gezicht. Ik laat mijn hand door de opgehangen kleding gaan. De kleerhangers geven een privéconcert, speciaal voor mij.
Op de tafel in de woonkamer staat een bos gele tulpen, die hun kopjes laten hangen. Ik loop naar het keukenblok – mijn voeten protesteren telkens als ik ze losmaak van de warme houten vloer – en laat de kraan eventjes lopen, voor ik een glas vul. Dan realiseer ik me dat ik niet wil drinken, want ik kan haar nog proeven, heel in de verte. Ik giet het glas leeg in de vaas.
Ik loop hier niet zomaar doelloos rond, ik geef de planten water. Nu kan ik mijn schouders wat ontspannen. Het voelt of ik op ontdekkingstocht ben, op een missie om verloren tijd te reconstrueren. Uit een bak, die in de hoek van de kamer staat, klinkt geschuifel. Daar ligt een pluizig wit bolletje met grote ogen, die me aankijken alsof ik een grote, gevaarlijke vos ben. De oortjes van het konijntje zijn niet groter dan mijn pink. Als het een schildpad was, zou het nu vast zijn kop intrekken.
Ik kriebel het beestje in zijn onzichtbare nek. Hij knijpt zijn ogen half dicht. Even verbeeld ik me dat ik hem hoor spinnen, maar dat kan natuurlijk niet, dat doen katten alleen.
Het licht valt in strepen op haar bureau, dat voor het raam staat. Kleine flintertjes stof zweven langs de gordijnen. Het blad is leeg, op een collegeblok en een stapel tijdschriften na. Ze lijkt me iemand die studeert, die weet wat ze wil. Gisteravond wist ze dat in ieder geval wel. Mijn ademhaling wordt dieper bij de herinnering aan haar vingers, en nog steeds kan ik haar gezicht niet voor me zien. Wel haar armen, die bij de schouders bedekt waren met sproetjes, alsof iemand er confetti overheen gestrooid had. En haar buik, die zacht was, met een perfect rond kuiltje in het midden.
Vannacht heb ik haar buik gevoeld, legde ik mijn hand op haar rug en volgde ik met mijn vinger de lijn van haar wenkbrauw. Dat weet ik allemaal nog. Al haar delen herinner ik me afzonderlijk, maar ik kan al die stukjes niet aan elkaar lijmen tot één meisje: hoe kan ik weten dat ik haar niet verzonnen heb? Lag ze daar echt, naast me in dit vreemde huis? Dit is pure zelfbescherming. Daarom reduceert mijn hoofd haar tot deeltjes, als atomen uit de exacte wetenschap die ze vast bestudeert.
Om de duizeligheid die langzaam maar vastberaden bezit neemt van mijn hoofd te blokkeren, loop ik weer naar de hoek. Ik plaats mijn trillende hand onder de buik van het konijntje en til het diertje op, druk het even tegen mijn borst aan – ik voel zijn hartslag, die nog sneller gaat dan de mijne – en zet het op tafel. Het konijn snuffelt wantrouwig aan een tulp en hupst een rondje om de vaas. Ik hou mijn vinger voor zijn rusteloze neusje. Bijt maar, moedig ik hem aan, omdat ik zo stom ben geweest om me hier naartoe te laten brengen. Misschien moet ik mijn kleren bij elkaar sprokkelen en op zoek gaan naar de dichtstbijzijnde tramhalte. Maar ik ben bang dat ik er dan achter zal komen dat ze de deur achter zich in het slot heeft laten vallen.
Het slot antwoordt met een droge klik. Voor ik het konijn terug kan zetten in zijn hok, voor ik de badjas glad kan strijken en mijn haar een beetje toonbaar kan maken, staat zij daar.
Het is of er een film begint in mijn hoofd, heel snel vooruit gespoeld. De hele avond, de hele nacht, in technicolor, en zonder krasjes op de spoel. Zij was het. Haar haren zijn zwart en kort, haar nagels rond gevijld. Haar armen omklemmen nu een grote boodschappentas, en ik weet weer precies hoe het voelde toen ze mijn middel omvatten.
Met een klein lachje zet ze de tas op de grond.
‘Je voelt je al thuis hier.’
Ik word omver geblazen door haar stem en kan niets anders doen dan grijnzen. Ik knik half.
‘En je bent zelfs al vriendjes geworden met Marcus,’ gaat ze verder, terwijl ze naar het konijn wijst. Ze zet een paar passen in mijn richting – het is of mijn hele lichaam meetrilt bij elke stap – en steekt haar hand uit. Ze noemt een naam die ik meteen kan horen rondzingen in mijn hoofd.
Eindelijk heb ik mijn spraakvermogen weer terug. Ik zeg mijn naam, die oneindig belachelijk lijkt tegenover die van haar, en vraag: ‘Gaat het niet meestal anders? Eerst voorstellen, dan –’ Ik gebaar hulpeloos in de richting van de slaapkamer, waar de omgewoelde lakens onbewogen op het bed liggen.
Weer dat scheve glimlachje. ‘Wij doen het andersom.’
De boodschappentas zit vol met broodjes en vers sap, en de ochtend is gevuld met zoenen. En vooral met zon, heel veel zon.
Met dit verhaal won Kirsten Kamphuis de verhalenwedstrijd van Roze Zaterdag 2010
| < Gratis downloaden: Griet - Fran Bambust | Blauwe regen - kort verhaal door Natasja Kraijer > |
|---|