|
Ik ben vrijgezel, verstokt vrijgezel. Ouwe vrijster, zoals dat heet. Zelf leg ik niet graag de nadruk op dat ‘ouwe’, maar op ‘vrij’. En ‘ster’, natuurlijk. Vrij-ster. Nou ja, zo grandioos in bed zal ik nu ook weer niet zijn. Zijn geweest, aangezien geen enkele vrouw na de eerste keer is gebleven.
Voorovergebogen vang ik met twee handen als kommetje het water op dat in een straaltje uit de kraan komt lopen en plens het in mijn gezicht. Nog eens. En nog eens. Ik kom overeind. De spiegel kijkt me vermoeid aan. Wat is er, knik ik haar afwerend toe. Druppels spetteren van sliertjes haren, die bij dit ochtendritueel altijd nat plegen te worden, mijn kin, biggelen langs mijn hals, kriebelen onder mijn pyjama, banen zich een weg naar lagergelegen lichaamsdelen. Van waterdruppels moet ik het hebben tegenwoordig. Ik dep mijn gezicht in de sponzen handdoek.
In de folder stond: oosterse geneeswijzen. Bij de deurbel staat: Dirk Willems, shiatsutherapeut. Klinkt niet echt oosters, die naam. Ik zit in de wachtkamer. Er is maar een stoel, lang zal ik niet hoeven wachten. ‘Kom verder,’ klinkt een zware stem in een deuropening. Ik zit op een matras - pardon foeton heet dat hier. Dirk Willems betast mijn polsen, drukt hier en daar, kijkt me aan met uitgestreken gezicht, drukt en tast, wrijft met zijn duimen onder mijn oogranden. Mijn wallen. Hij glimlacht. ‘Voel je je wel eens moe?’ ‘Wel eens,’ echo ik. Mijn intonatie moet hem te verstaan geven dat ik me altijd moe voel. Constant. Moe en… ‘Uitgeput?’ Dat je zoiets van een gezicht kunt aflezen. Ik knik. Van alles heb ik geprobeerd: energiedrankjes, veel slapen, weinig slapen. Reguliere en minder reguliere middeltjes. Soms vraag ik me af wat de zin is van zoveel investeren in wetenschap, als het enige wat het oplevert de wetenschap is dat die middeltjes niet werken, of de zaak alleen verergeren. Goed, dat deze man het binnen de vijf minuten dat ik hier ben meteen bij het rechte eind heeft, wekt mijn vertrouwen, dat ergens onder een dikke laag niet terzake doende emoties verscholen lag. Hij legt me nog het een en ander uit. Dan mag ik op mijn buik gaan liggen. De eigenlijke shiatsubehandeling begint. Hij werkt van mijn voeten naar boven toe. Bij mijn kuiten gil ik het uit. Alsof hij botte naalden in mijn huid duwt. Weg is het ontspannen gevoel van de voetmassage. Het komt ook niet meer terug. Als ik weer ga zitten, pakt hij zijn notitieblok erbij en vraagt: ‘Ga je wel eens te laat naar bed?’ Ik haal mijn schouders op. Wat is te laat? Ik blijf alleszins even lang liggen als ieder ander, hoe laat - of vroeg - ik ook ga slapen. ‘Heb je vaak overwerk?’ ‘Vroeger.’ Ik knik, en wanneer hij me aan blijft staren zonder iets op te schrijven, zeg ik: ‘Vroeger, ja.’ Hij schrijft weer. ‘Medicijnen?’ Ik knik. Al die potjes en doordrukstrips slaappillen op en in mijn nachtkastje. Ik had mezelf al zeker vijf keer het leven kunnen ontnemen. ‘IJskoude dranken?’ Als vanzelf gaan mijn wenkbrauwen omhoog. De energiedrankjes. Zelfs in mijn woordeloosheid vindt Dirk Willems stof tot noteren. ‘Koffie?’ Koffie, dat ik daar niet eerder aan heb gedacht: probaat tegen vermoeidheid. En in die gedachten hoor ik zijn woorden doorsijpelen. ‘Teveel seks misschien?’ Ik glimlach, lach. Een amper hoorbaar, gegeneerd lachje. Seks, natuurlijk niet. Ik heb het toch alleen van waterdruppels. En van mijn vibrator, gekocht met Ka… bedenk dan, en bijna vraag ik het: telt masturberen ook mee? En dan krijg ik een kleur, voel ik, zie ik, in de muurgrote spiegel. Wat zit hij allemaal te noteren, vraag ik me af. Natuurlijk wel, denk ik. Zelfbevrediging is ook seks, net als zelfbestuiving ook een manier van voortplanten is, en net als de zelfkant van de maatschappij willens nillens ook tot die maatschappij behoort. ‘Ja,’ zeg ik. Hij kijkt op van zijn papier. ‘Ik drink koffie.’ Zijn gezicht klaart op. ‘Goed,’ zegt hij en legt zijn pen neer, ‘koffie.’ Als in een bezwerend gebaar tipt hij de toppen van zijn vingers tegen elkaar aan. ‘Je nieren zijn overbelast. Ze werken nog maar op een laag pitje. De nieren zijn je motor. Die houden je aan de gang.’ En hij geeft me nog wat advies en dagelijkse oefeningen mee, om te beginnen. Ik geef hem de inhoud van mijn portefeuille, om deze sessie te beëindigen.
Niet bij de eerste, maar wel de beste theesalon leg ik de motor van mijn auto stil. De zaak oogt leeg. Wanneer ik binnen ben, blijkt dat ook zo te zijn. Ik ga bij het raam zitten, aan een tafel voor vier personen, en bestel een cappuccino. Onderweg heb ik besloten maar eens te beginnen met koffie drinken, want ik kan niet tegen liegen. Cappuccino, dan heet het alvast geen koffie. Of: hoe je jezelf voor de gek kunt houden. De ober doet me aan mijn vibrator denken. Niet dat hij daar op lijkt. De kleur alleen al. Wel op Karel, de vriend met wie ik hem heb gekocht. Begrijp me niet verkeerd: ik val op vrouwen. Alleen is de aarde nogal dun bezaaid met vrouwen die ook op mij vallen - en blijven liggen. Vandaar: surrogaat. Vibrator. Gekocht. Met vriend Karel. Zijn idee. Zo dus. Mijn gedachten reizen af naar het onooglijke pandje in die achterafsteeg in de binnenstad. Hoe heette het ook alweer… Lust en Weer Zin, ja. In losse letters. Enkele spijkers die de W bevestigden waren losgeraakt (of losgemaakt?) waardoor die letter nog maar aan een punt vastzat en een met de wind zachtjes mee bungelende M was geworden. Die eerste vibrator was algauw oververhit geraakt, waardoor ik Karel nogmaals heb meegezeuld om meteen een hele voorraad in te slaan, die ik ondertussen ook al - op een na - heb versleten. Niet echt een duurzame bezigheid. Mijn vibrator. Kleur: limoengroen. Fluorescerend, opdat ik hem in het donker makkelijk terugvinden kan. Ideetje van Karel ook, dus. Ik ga ermee stoppen. Met vibreren. Met seks, bedoel ik. Voor mijn nieren. Seks zonder partner is als een gezelschapsspel zonder gezelschap. Als cappuccino zonder schuimmelk, dan is het slechts koffie, iets wat ik plompverloren beweer te drinken. En nu dus ook drink: ik vervang gewoon de ene verslaving (seks) door de andere (cafeïne). Een pas verworven, bewust aangegane verslaving kan nooit zo lastig zijn om van af te komen. Een oude is te lastig om opeens niet meer te hebben, zonder surrogaat. Daarna zie ik wel wat ik aangaande het afkicken van dat zwarte spul voor mijn nieren doen kan. Misschien dat met seks stoppen alleen al ruimschoots voldoende is. Ooit zou ik toch mijn manuele bedrevenheid moeten staken: mijn laatste vibrator begint al in een zekere staat van trillingsmoeheid te verkeren. En Karel is er niet meer om me te begeleiden. Alleen durf ik niet, met al die doortastende ogen die me screenen als röntgenapparatuur. Toegegeven, koffie is ook niet niervriendelijk, maar dat beetje stimulering weegt niet op tegen mijn (s)excessieve drang. Dat is vanaf nu voorgoed verleden tijd. Met koffie en meditatie ga ik onvervaard en welbewust een seksloos leven tegemoet.
Cruciaal veranderingsmoment. Vuilnisemmer onder de rand van mijn nachtkastje. In een vegende handbeweging alle potjes en strips in de gesperde plastic muil. Lade uittrekken, omkieperen. Stapel losse papieren. Papieren? Met bestoft memorie diep ik ze op uit de grijze zak. Ik glimlach. Mijn grijze cellen lichten op. Ik heb er een boek over geschreven, over mijn passie (lees: verslaving). En boek, lees: typoscript. Het is nooit tot publicatie gekomen, nog niet. Handboek lesbische seks, een vingeroefening. Dat was zoveel als de titel. Wat ik daarmee bedoelde laat ik aan de verbeelding over. Het beoogde een handleiding te zijn hoe je een vrouw zonder omhaal noch poespas, of juist met heel veel, al naargelang je de snelle dan wel langzame aanpak prefereert, haar dak uit kunt laten gaan, en gaan, en gaan. En komen, natuurlijk. Dat ook. Dat vooral. Ook de doe-het-zelvers komen uitgebreid aan haar trekken. Mijn specialiteit. Ik heb er nog speciaal die cursus illustratief tekenen voor gevolgd. Zonde om weg te gooien. Van elke uitgeverij die ik probeerde, kreeg ik het typoscript teruggestuurd. De eerste reden van weigering was, afgaande op de titel: er bestaat al iets in die trant. Alsof er niet al meer boeken over eenzelfde thema gaan. Als dat niet zo was, zouden er niet zoveel boeken bestaan. Want teruggevoerd gaat alles om een ding: liefde. Dan zou er maar één boek zijn. Eén boek, en iedereen zou dezelfde taal spreken, zonder dat taalverschillen daarvoor hoefden te verdwijnen. De taal van het hart. Maar misschien is het omdat we zo verdwaald zijn, zo verdwaald van de liefde dat eenieder ernaar op zoek is. En ieder die een beetje pen kan hanteren (of op een toetsenbord kan rammen) pogingen waagt zijn of haar zoektocht met letters de wereld in te slingeren. De tweede weigering gold dat mijn thema (homoseksualiteit) niet meer werd geacht “in” te zijn. Niet meer in. Alsof een thema niet meer in kan zijn. Om in herhaling te vervallen: alles wat ooit is geschreven gaat over liefde, eigenlijk. Behalve dan misschien spam dat penisvergrotingen en potentieverhogende middelen aan de man poogt te brengen, en toevalligerwijs ook geheel ongewenst in de mailbox van vrouwen terecht komt. Maar, als ik er goed over nadenk, gaan dat soort schrijfsels ook over liefde: het gebrek eraan.
Met mijn hele hebben en houden aan sexy lingerie sta ik in de kringloopwinkel. Niet zo uitgedost, ik heb ze in een tas. Met opgetrokken neus haalt de dame aan wie ik de tas overhandig mijn fluorescerende limoengroene tevoorschijn, die ik bovenop had gelegd, maar die blijkbaar onderin is gezakt. ‘En wat is dit?’ roept ze verbouwereerd uit. Ze zwaait er demonstratief mee in het rond. Ik kijk om me heen. Probeer het zich ontspinnende tafereel aan het zicht van eventuele pottenkijkers te onttrekken door mijn lichaam als vrouwscherm te gebruiken. Maar een van de onweerlegbare eigenschappen van mijn limoengroene is dat hij zo opvallend zichtbaar is, zelfs bij daglicht. Karel en zijn ideeën, verzucht ik inwendig. Het is druk. Vanaf de dichtstbijzijnde tweedehands kledingstandaarden en gebruikte boekenrekken richten mensen hun nieuwsgierigheid en aandacht onze kant op. Gegeneerd wend ik me tot haar, fluister: ‘Vibrator.’ Ik kijk haar aan van, je weet wel. ‘M-maar… die is gebruikt.’ Verbaasd wijs ik naar de hele inboedel. ‘Alles hier is toch gebruikt?’ ‘J-ja, maar dít nemen wij niet,’ zegt ze nog enigszins aarzelend terwijl ze de vibrator hanteert als een verkeersregelende agent zijn gummiknuppel, en dan, gedecideerd: ‘Kunnen wij niet nemen.’ Ik knik. Ik begrijp. De lingerie laat ze - heeft niemand het gezien, anders ik wel - onderduiken achter de toonbank. Het lijkt me haar maat inderdaad.
Ik sta weer op straat, de fluorescerende in mijn jaszak. Zonder batterijen is hij maar een onschuldig staafje, om te zeggen onklaar gemaakt. Ik slenter naar mijn om de hoek geparkeerde auto, glimlach om de rondborstigheid van de dame. Beslist geen poesje om zonder… Flitst de slogan door mijn hoofd: dat zouden meer mensen moeten doen. En opeens heb ik een idee. Een idee dat niets met het voorgaande heeft te maken. Het betreft mijn boek. Ja, zo noem ik het toch maar. Dat heb ik wel vaker, dingen die associatief compleet niets met elkaar uit te staan hebben, komen in mijn hoofd samen, vormen daar kortsluitinkjes. Ideetjes.
Met rasse schreden begeef ik me naar het station. Aan de automaat kies ik blindelings drie plaatsen, daartussen een rondreis. Koop een treinkaartje, eerste klas. Loop naar het perron. Zet mijn tas neer. Omwille van de actie die ik ga ondernemen, heb ik mijn tas tot actietas omgedoopt. Een aktetas kan alleen saaie ambtelijke papieren bevatten, terwijl dit, nee, hierin zit wat anders: een gekopieerde ingebonden versie van mijn boek. Ik ga er afstand van doen. Van dit exemplaar althans. Waarom een kopie? Het origineel bewaar ik nog even, samen met mijn limoengroene, die ik niet schijn kwijt te raken, als relikwie, tot ik ook daar volledig afstand van kan doen, in het stoffige museum - niet aankomen - van mijn flamboyante verleden. Mijn idee: ik leg het gewoon ergens, anoniem. Misschien heeft iemand er wat aan. En dan, als het eeuwen later opduikt, kan men pogen het terug te traceren. Net als Sappho herontdekt. Dan kan het nog een succes worden. Uitgegeven, misschien. Maar dan ben ik er niet meer. De relativiteit van succes. Natuurlijk wil ik zien bij wie het terecht komt. Daarom reis ik mee en leg ik de kopie niet zomaar ergens, op een bankje in het park bijvoorbeeld, waar het slechts door regen nat worden kan, of bij de advertentiehoek van de buurtsuper. Ook geef ik het niet af aan Gevonden Voorwerpen. Dit is nu eenmaal een Te Vinden Voorwerp. En in de trein beleef je nog eens wat. Daarom ook heb ik een auto. Naar het idee van book-crossing heb ik voorin een eigen boodschap geschreven: ‘Beste vinder. Je mag mij gratis gebruiken en bij je houden zo lang je wilt. En als je genoeg van me hebt leg je me weer ergens te vondeling, opdat iemand anders me vinden kan. Het boek.’ Ik kan de gebruikelijke sticker natuurlijk niet overnemen, dan zou ik me moeten aanmelden op de site. Dan zou ik me bekend moeten maken. Met een treinreis voor de boeg van twee uur negenenveertig minuten, inclusief overstaptijden, moet ergens tussen nu en straks mijn boek wel aan de vrouw kunnen worden gebracht.
Open en bloot ligt het boek op de bank tegenover me, schuin op de naad tussen twee stoelen. De titel ligt uitdagend te lonken, te lokken. Wie o wie durft? Ik installeer me bij het raam, staar nietsvermoedend doende naar buiten. Iemand komt de coupé binnen, een typische eersteklas dame. Qua uitdossing. Van haar karakter kan ik vooralsnog niets zeggen. Ze ziet me zitten, glimlacht magertjes, ziet het boek liggen. De aanzet tot een magere glimlach hapert en blijft wat hij was, een futiele aanzet tot welvoeglijkheid. Ze gooit haar hoofd met alles erop en eraan kletterend achterover en stevent op de tweedeklas af. Qua parfum ook, stel ik vast wanneer ze voorbij loopt en door de klapdeur verdwijnt, mij in haar uitwaseming achterlatend. Zo’n impact. Dit had ik niet verwacht. Ik begin er zowaar plezier in te krijgen, nu al. Ik weet alleen niet, zit ik voor me uit te peinzen, of ze figuurlijk struikelde over “lesbisch” of “vingeroefening”, of een combinatie van beide. “Seks” misschien? Kortsluitinkje in mijn hoofd. Ideetje. Ik haal mijn zakken leeg, op zoek naar iets bruikbaars. Geen nood, de limoengroene ligt werkeloos in het dashboard in mijn auto. Ik stal alles uit op het schamele plankje dat voor tafeltje door moet gaan. Wat heeft een reiziger meer nodig dan legplaats voor een bak koffie en een kroket? Een handvol munten van twee en een cent, net genoeg om geen koffie mee te kunnen kopen. Een doorgedrukt stripje kauwgum met nog een kauwgum, op liestemperatuur. Sleutels, bijeengehouden door een ring met ontpluchete miniknuffel. Een tankbon. Een zakdoek, gebruikt. Een hard maar broos soort verworden servet, dat kennelijk minstens een wasbeurt heeft overleefd. Een doosje pleisters, die ik altijd in geval van bij me draag. Dit is zo’n geval. Die tankbon is niet bruikbaar, mijn pasnummer staat er op: traceerbaar. Ik stop alles terug, het vergane servet dump ik onder het klapdeksel van het afvalbakje. Alleen de pleisters hou ik bij de hand. De coupé onthaalt veel doorloop, ik veel bekijks. Reist dezer dagen werkelijk niemand eersteklas? Wanneer iedereen na de volgende stop doorgesluisd is, begin ik woorden op de titelpagina van mijn boek af te plakken. Ik begin met “seks” zichtbaar te laten. Algauw krijg ik gezelschap. Gluiperds, dus op naar het volgende woord. “Handboek”. Nu nemen ernstig studentikoos uitziende lui plaats, veelal van het andere geslacht. Op “vingeroefening” komen jongeren af met een of ander instrument op hun schouder. Zodra echter deze belangstellenden het boek hebben ingekeken, leggen ze het min of meer ongemakkelijk weg, hun keel schrapend of das rechttrekkend, en muizen er met enig of veel misbaar van tussen. Als laatste komt “lesbisch” aan bod. De eerste twee treinritten van mijn rondreis hebben aldus niets opgeleverd, geen gegadigde - behalve mijn vermaak. En de conclusie: “lesbisch” laten ze links liggen, of rechts, navenant welke kant mensen uitgaan. Maar die conclusie was voorbarig. Want met nog twee stations te gaan voor mijn overstap, installeert een meisje zich schuin tegenover mij. Ze oogt verlegen maar kijkt me onopgesmukt aan. Onwillekeurig glijdt mijn blik naar het boek, waar ze half op is gaan zitten. Ze trekt het onder haar bil vandaan, ziet onmiskenbaar het woord “lesbisch” staan, slaat het open. Glimlacht. Laat het boek in haar schoot vallen. Wat is er, wil ik vragen. Ze zoekt mijn ogen, zuigt zich vast, glimlacht weer, toont me de eerste pagina, waar de titel wordt herhaald, zoals in alle boeken titels op de eerste pagina worden herhaald. Alsof ik niet weet wat daar staat. ‘Handboek,’ zegt ze, ‘natuurlijk.’ Ik kijk haar vragend aan. ‘Waar moet je het anders van hebben?’ Ik kijk haar vragend aan. Ze heft haar handen en draait ze als een peuter die meebeweegt op een kinderliedje. ‘Van je handen.’ ‘O,’ zeg ik. Ik snap hem. Er valt een stilte. ‘Er is veel meer waar je het van hebben kunt,’ zeg ik dan. Ze kijkt me afwachtend aan, maar ik vertik het om openbare les te geven. Vóór mijn onthouding zou ik haar mijn visitekaartje in de hand hebben gedrukt, dat ik zonet niet eens in mijn zakken aantrof. Of haar naar het toilet meegetroond, voor een kleine demonstratie wellicht. Of op het eerstvolgende stationnetje… Ik ben echter een nieuwe weg ingeslagen. Als ik ergens mijn tanden in zet, bijt ik stug vast als een wolfsklem. Wanneer je op dieet bent ga je ook geen redactioneel schrijven over ijsjes in diverse smaken. IJsjes. Bij mij waren het meisjes.
Mijn laatste traject. Het boek, dat het meisje dus niet in haar gebatikte schoudertas heeft gestoken, ligt voor me geëtaleerd. Zonder pleisters. Een kluwen opgeschoten knullen drenst de coupé binnen. Met veel getrek en gestoot passeren ze. Allemaal hebben ze petjes achterstevoren op hun hoofd, het staat niet. Natuurlijk is het zo dat mijn generatie het bij het verkeerde eind had, en heeft. Een van hen ploft in de stoel tegenover me. ‘Kerel,’ maant er een zijn makker aan. Kerel is een aanspreking die ik uit meerdere hunner monden hoor. Op die leeftijd heten al die jongens Kerel, blijkbaar. ‘Dit is eerste klas.’ En hij gebaart hem mee te komen, niet zo onuitgesproken lullig te doen. De jongen kijkt hem weg. Hij trekt zijn petje strakker over zijn haren, drukt zich tegen de rugleuning, strekt zijn benen. Benen die wel helemaal onder de bank door reiken tot tegen de wand. De deur wappert dicht. Ongeïnteresseerd pakt hij mijn boek, reikt het me aan. ‘Van u?’ Nee hoor, schud ik. Uitdrukkingsloos slaat hij het boek lukraak open, bladert erin, wrijft over zijn kin. Af en toe meen ik iets te horen wat een grinnik vermag te zijn. ‘Kerel,’ roept een petje in de deur. ‘We moeten eruit.’ ‘Niet van u?’ vraagt de jongen me nogmaals. ‘Mensen laten de vreemdste dingen slingeren.’ Hij kijkt me aan met een blik van, wat u zegt. In laten slingeren is hij expert. Hij rolt het boek tot een koker, met de titelpagina naar binnen gekeerd, en neemt het mee. Voor zijn meisje, biecht hij op. ‘O. Is ze lesbisch?’ vraag ik. ‘Wat dacht je?’ reageert hij gepikeerd. Hij zegt ineens geen u meer. ‘Natuurlijk niet.’ En hij verwijdert zich, zichtbaar diep beledigd. Onwezenlijk zie ik de jongens op het perron wegbenen. Eentje duwt langs achteren het petje van het hoofd van de jongen met de koker. Hij raapt het op. Fluitsignaal. Missie geslaagd. Geslaagd? Misschien toch wel. Misschien toch wel een goed idee, denk ik. Nu ik zelf niet meer aan seks doe, ga ik anderen eraan helpen. De lesbischiteit zal hoogtij vieren. Statistieken zullen - als het geval uitlekt - vermelden, zij het met enige schroom, dat er in dit land meer lesbische dan heterovrouwen huizen. Maar dat zal dan weer verkeerd ingeschat blijken.
Ik ben vrijgezel, verstoft vrijgezel. Het gaat goed met mijn nieren. De wallen ter grootte van middeleeuwse stadsmuren zijn gereduceerd tot minuscule walletjes à la Madurodam. Rest enkel mijn koffieverslaving. Over Manuela De Doncker
|